Vakantie


Pim zit op het strand. Hij bouwt een zandkasteel. Dat doet hij elke vakantie. Dit jaar wil hij het allergrootste zandkasteel van de hele wereld maken. Maar dat is best moeilijk. Steeds valt er een toren om of spoelt een golf de brug weg. Hij komt handen te kort. Pim zoekt papa. Die drijft op een luchtbed in zee.
‘Kom je helpen, papa?’ roept Pim.
‘Nu even niet,’ roept papa vrolijk. ‘Ik heb vakantie.’
Pim doet weer wat zand in zijn emmertje. Met zijn schepje stampt hij het zand aan. Dan zet hij de emmer ondersteboven op een toren. De toren valt om. Pim zucht. Het lukt echt niet.
Hij kijkt naar mama. Ze leest een boek onder de parasol.
‘Mama, kom jij me helpen?’ vraagt Pim.
‘Nu even niet, Pim. Ik heb vakantie,’ roept ze.
Pim probeert het nog één keer alleen. Maar nu stort de brug van het kasteel in. Boos gooit hij zijn schep en emmer neer. Bah, wat een stomme vakantie!
Dan komt papa uit het water.
‘Raap je de emmer en schep op?’ vraagt hij aan Pim. ‘Anders raken we ze kwijt.’
‘Nu even niet,’ zegt Pim. ‘Ik heb vakantie.’
Papa en mama moeten heel hard lachen. Papa raapt de schep op. En mama pakt de emmer. Samen beginnen ze te scheppen en te graven. Pim kijkt hoe ze mooie, stevige torens en bruggen bouwen. Snel gaat hij helpen. Dit wordt vast het allergrootste zandkasteel van de hele wereld. Wat een leuke vakantie!