hoofdstuk 1
De brief

Dinsdagmorgen half elf. De brievenbus klepperde. Toby liep naar de deur en raapte het stapeltje post op. Misschien dat er een leuk blaadje bij zat met de nieuwste spelletjes voor zijn X-box. Niet dat er een winkel in dit gehucht was waar ze dat verkochten, maar als het meezat ging hij deze vakantie toch naar Kat. Die woonde nog in Ulver. Hij zuchtte. Zij wel! Hij was sinds een aantal weken naar een saaie buurgemeente op het platteland verbannen. Het was dan misschien maar vijftien kilometer verderop, toch had hij het gevoel dat hij tegenwoordig in Verweggiestan woonde. Hij liet de post door zijn vingers glijden. Reclameblaadje van de drogist, blauwe envelop, een rekening en als laatste een wat grotere envelop. Er stond geen afzender op. Toby draaide hem om.
AAN T. DE HOOP, DONKERSTRAAT 4 8301 MQ DEELDE stond er in blokletters opgeschreven. Dat was hij. Leuk! Een brief voor hem. Hij kende het handschrift niet. Hij hield de envelop achter, gooide de rest van de post op het tafeltje in de hal en rende de trap op naar zijn kamer.
Met de punt van zijn schaar prikte hij in het hoekje en ritste de envelop open. Toby stak zijn hand erin, trok er iets uit en staarde er verbaasd naar. Weer een envelop. Maar nu een vergeelde. Aan G. op Dam, Hovenierstraat 20 Beldum stond er op de voorzijde. Beldum? Dat was niet zo ver bij Ulver vandaan. Zijn vader kwam daar wel eens voor zijn werk. Toby draaide de envelop een paar keer om.
In de rechterbovenhoek zag hij een postzegel van vijfentwintig cent. Hè? Wie stuurde hem nu een hele oude brief? Nieuwsgierig opende hij de envelop en haalde er een dun velletje papier uit.

Gijs,
Dit is de laatste brief die ik je stuur. Het wordt me te heet onder de voeten. Mijn huis wordt dag en nacht bewaakt en als ik op pad ga word ik gevolgd door twee stillen. Ze vermoeden vast wat. Het zal niet lang meer duren voor ik word opgepakt. Maar niet voor lang. Ik kan zwijgen als het graf. Jij toch ook?
Ik heb onze buit veilig kunnen stellen. Ik kan je uiteraard niet in deze brief vertellen waar dat is. Je kunt hierover wel aanwijzingen vinden op onze geheime plek.
Het is beter dat we elkaar voorlopig niet meer zien. Zoek dus maar geen contact.

Jacobus Vogelaar


Toby’s hart begon sneller te kloppen. Een geheime plek, buit… Hij graaide de witte envelop van zijn bureau en hield hem ondersteboven. Een klein wit briefje viel eruit.

‘Hou dit geheim en bewaar het goed anders komen we in grote problemen!’ stond er met dikke letters op geschreven.
Een koude rilling kroop langs zijn rug omhoog. Waarom stond er geen afzender bij? Waarom was de brief aan hem gestuurd? En wie waren ‘we’ en waarom zouden die in de problemen komen?
Hij knipte zijn bureaulamp aan en hield de vergeelde envelop eronder. Zou er een poststempel op staan? Ja, maar daar was niks van te maken. Toch zat die postzegel hem niet lekker. Uit welke tijd was dat? Achttienhonderd of zo?
Toby legde de brief op zijn bureau. Hij moest Kat bellen. Zij zou vast wel weten wat hij hiermee moest doen. Hij rende naar beneden en toetste haar nummer in. Er werd niet opgenomen.
Teleurgesteld gooide hij de telefoon neer en plofte op de bank. Hij greep naar zijn zilveren ketting met hanger die onder zijn T-shirt zat en friemelde er aan. Wat moest hij nu? Hij keek naar zijn ketting. Kat had er precies zo één. Vlak voor zijn verhuizing hadden ze hem gekocht. Zo zouden ze elkaar niet vergeten.
Hij pakte de hanger vast. Het was een boogje met daartussen een rond plaatje dat kon draaien. Op het plaatje stonden aan de voor en achterkant streepjes gegraveerd. Hij blies en het plaatje begon te draaien. De streepjes vormden letters en er verscheen een tekst. Toby en Kat 4-ever.
Hij keek uit het raam en zag zijn moeder met grote baggerlaarzen door de groentetuin lopen. Er zat een zakdoek om haar hoofd geknoopt en een geruit overhemd van zijn vader slobberde om haar heen. Ze bukte, raapte een kluit aarde op en wierp deze naar zijn vader die net kwam aanlopen. Toby zuchtte. Niet weer een moddergevecht hè. Het leken soms net kinderen. Zijn moeder zwaaide naar Toby toen ze hem zag kijken en hief trots een bos vers geplukte wortelen omhoog. Ze wenkte hem naar buiten te komen.
Maar Toby schudde zijn hoofd. Ineens wist hij wat Kat gedaan zou hebben. Ze zou op onderzoek gaan.

Even later reed hij op zijn oude fiets langs de weilanden richting Beldum. Het dorp viel onder de gemeente Ulver en was bijna net zo klein als Deelde. Hij had geen idee hoe ver het van zijn huis af lag maar verder dan vijftien kilometer kon het nooit zijn. In het centrum zou vast wel een plattegrond van het dorp staan waar de Hoveniersstraat op stond.
Na een dik half uur stond hij eindelijk in het midden van het centrum. Het was een klein plein. Geen plattegrond. Wat nu? Hij keek om zich heen. Het gemeentehuis misschien? Zouden ze die hier hebben? Deelde had er wel een. Daar was hij vorige week met zijn vader geweest om zich in te laten schrijven als nieuwe bewoners. Vol trots had zijn vader daar verteld dat hij de nieuwe veearts was. Toby trok een gezicht. Leuk hoor! Veearts in zo’n gat.
Zijn ouders vonden het geweldig maar hij verveelde zich rot. Zeker nu het vakantie was.
Toby keek om zich heen of hij iemand naar het gemeentehuis kon vragen maar zag toen een paal staan met verschillende wegwijzerbordjes. Op een van de bordjes stond het gemeentehuis aangegeven. Toby sprong op zijn fiets en reed de juiste richting uit. Twee straten verder was hij er.
Nadat hij zijn fiets tegen de muur had gezet duwde Toby de deur open. In het kantoor zat een vrouw achter haar bureau. Een strak zwart knotje op haar hoofd wiebelde heen en weer en een naamplaatje met de naam Lotte de Graaf was op haar trui vastgespeld. ‘Hallo, Lotte,’ zei Toby.
Het knotje schoot omhoog.
Toby schrok. Oeps! Als hij geweten had dat ze zo oud was…
‘Heeft de jeugd van tegenwoordig dan helemaal geen manieren meer? ’ zei ze pinnig. ‘Voor een jongen van jouw leeftijd is het gewoon mejuffrouw de Graaf.’
Tobies mond viel open. Wat een tang! ‘Mejuffrouw de Graaf,’ herhaalde hij.
‘Inderdaad mejuffrouw,’ zei ze venijnig.
Toby kon haar alleen maar aanstaren. Hij was nooit zo goed met bazige vrouwen.
‘Nou, jongeman? Wilde je me iets vragen?’
Toby keek naar het zwarte montuur op het puntje van haar neus.
‘…niet de hele dag de tijd,’ hoorde hij Lotte in de verte.
‘Sorry,’ zei Toby. ‘Ik eh… ik ben op zoek naar de Hovenierstraat. Weet u misschien waar die is?’
Lotte keek hem over de rand van haar bril aan. ‘De Hovenierstraat bestaat niet meer.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Precies zoals ik het zeg. De huizen aan de Hovenierstraat zijn in negentienhonderd twee en zestig afgebroken. Een paar jaar later zijn er nieuwe woningen gekomen. Dat zijn tegenwoordig de Breestraat en de Tuinstraat.’
‘Weet u het zeker?’ vroeg Toby teleurgesteld.
Lotte vouwde haar armen over elkaar voor haar borst en keek hem met donkere ogen aan. ‘Ik heb er zelf gewoond dus dan zal ik het wel weten, denk je niet?’’
Toby knikte en liet het even op zich inwerken. Wat kon hij nu nog vragen? Was Kat hier maar. Die hoefde nooit ergens over na te denken.
‘Weet u ook wat er met de mensen is gebeurd die in de Hovenierstraat woonden?’ vroeg hij toen maar. Op het moment dat hij het vroeg, wist hij zelf wel dat het een stomme vraag was. Maar Lotte leek er geen erg in te hebben.
‘De meeste mensen zijn ergens anders heen verhuisd,’ zei Lotte. Ze fronste haar wenkbrauwen. ‘Waarom wil je dat eigenlijk weten?’
Toby voelde dat hij van kleur verschoot. ‘Ik…eh…’ Kon hij haar over de brief vertellen?
Lotte keek hem onderzoekend aan.
‘Ik ben op zoek naar iemand,’ zei hij snel.
‘Naar wie?’
‘Gijs op Dam.’
Lotte slaakte een gilletje en sloeg haar hand voor haar mond.
Toby keek haar verschrikt aan. ‘Is hij een vriend van u?’
‘Hoe durf je,’ voer ze tegen hem uit.
‘Sorry,’ riep Toby snel. Even was het door zijn hoofd geschoten dat Lotte en Gijs wel eens van dezelfde leeftijd konden zijn. ‘Ik dacht…’ Zijn stem stierf weg. Tegen haar kon hij maar beter niet zeggen wat hij had gedacht.
‘Gijs op Dam is absoluut geen vriend van me,’ zei Lotte. Met dat uitschot wil ik niks te maken hebben. Hij is in negentienhonderd zestig al vertrokken. Gelukkig maar. Die schurk hoorde ergens anders thuis. Als je me nu wilt excuseren. Ik heb nog een hoop te doen.’ Ze draaide zich weer om.
‘Maar…’
Lotte bleef met haar rug naar hem toe zitten en boog zich over een stapel papieren.
Van haar zou hij niks wijzer meer worden.

Toby fietste terug naar huis. Wind tegen. Ook dat nog. De regen striemde in zijn gezicht. Hoe was het mogelijk dat Lotte Gijs op Dam kende? Had hij haar misschien toch van de brief moeten vertellen? Hij schudde zijn hoofd. Nee, dat zou stom en misschien wel gevaarlijk zijn geweest. Die waarschuwing zat er niet voor niks bij. Zou hij soms in de gaten gehouden worden? Snel keek hij achterom. Niemand. Toch zette hij extra aan op zijn trappers en schakelde terug naar de derde versnelling. Wat moest hij nu met die brief doen?
Druipnat kwam hij uiteindelijk bij zijn huis.
Hij gooide de achterdeur open en liep de keuken in. ‘Hoi, mam.’
Zijn moeder zat aan de keukentafel. ‘Hoi lieverd. Heb je wat leuks gedaan?
‘Oh, eh…’ Moest hij haar over de brief vertellen? Hij dacht weer aan de waarschuwing. ‘Zomaar een stuk gefietst,’antwoordde hij.
‘Heb je mijn wortelen gezien?’ging zijn moeder opgetogen verder. ‘Die gaan we vanavond eten. Onbespoten en verser kan niet. Dat is nu zo mooi aan het platteland.’
Toby draaide met zijn ogen. Alsof hij daarom hier begraven moest worden!
‘Die kun je ook in de winkel in Ulver kopen,’ mompelde hij.
‘Dit is veel echter,’ antwoordde zijn moeder. ‘Dit is wat ik altijd al gewild heb. De hele dag buiten lekker in de tuin rommelen. Je zou het ook eens moeten proberen.’
Toby keek haar aan alsof ze van een andere planeet kwam.
‘Trouwens, ik heb goed nieuws voor je. Katinka heeft net gebeld.’
Yes! dacht Toby. ‘Kat, mam. Ze wil Kat genoemd worden.’ Hij trok zijn jas uit en hing hem over de stoel.
‘Kat, Kati, Katinka. Wat maakt het allemaal uit,’ zei zijn moeder. ‘Ga maar snel bellen. Ondertussen zet ik een lekker kopje groene thee.’

Toby draaide het nummer. De telefoon ging over. Een keer. Twee keer. Drie keer…
‘Goedemiddag,’ klonk het aan de andere kant van de lijn. ‘U spreekt met Kat Verluit en die is pas haar bed uit. Hiha! Wie kan ik van dienst zijn, waarmee en waarom?’
‘Hoi Kat, met Toby!’
‘Toby!’ gilde de lijn.‘Hoe is het aan de andere kant van de wereld? Mis je me een beetje?’
Toby grinnikte. ‘Vreselijk,’ zei hij. ‘Ik verveel me te pletter en heb je al honderd keer gebeld maar je neemt steeds niet op.’ Toby keek achterom. Zijn moeder was nog in de keuken. ‘Maar vandaag…’ begon hij fluisterend.
‘Ik kan niet opnemen want ik heb het hartstikke druk,’ schetterde Kat tussendoor. ‘Heb jij nog geen nieuwe vrienden?’
‘Nee.’ Heel even bleef het stil aan de andere kant. ‘Jij wel dan?’ vroeg Toby aarzelend.
‘Ja.’
Toby kneep in de hoorn. Zie je nou wel. Overal kon je nieuwe vrienden maken behalve in dit gat.
‘Is het een hij of een zij?’
‘Een hij.’
‘Hoe heet hij?’ vroeg hij nijdig. Zijn enthousiasme om over de brief te vertellen zakte naar het nulpunt.
‘Klaas,’ zei Kat.
‘Zie je hem vaak?’
Kat giechelde. ‘Hij woont naast me. In jullie oude huis.’
Toby voelde zijn mond droog worden. Hij was altijd de buurjongen van Kat geweest. Sinds de basisschool waren ze onafscheidelijk. En nu had iemand anders zijn plaats ingenomen. Shit!
‘Leuk voor je,’ zei hij nauwelijks hoorbaar.
‘Ik hoor je niet,’ zei Kat. ‘Wat zei je?’
Toby slikte de brok in zijn keel door. ‘Leuk voor je,’ zei hij nijdig.
‘Volgens mij vind je het helemaal niet leuk. Trouwens het is je eigen schuld,’ zei Kat. ‘Hadden jullie maar niet moeten verhuizen naar…’
Toby liet haar niet uitpraten. ‘Oh, ja. Mijn schuld. Ik heb je al tig keer gebeld maar van jou hoor ik niks. Jij hebt het natuurlijk veel te druk met je nieuwe vriendje. Is hij soms leuker dan ik?’ snauwde Toby.
‘Wat!?’
‘Is die Klaas leuker dan ik? Heb je met hem meer lol?’
Even was het stil. Toen brulde Kat het uit. ‘Nee, joh,’ gierde ze.
Toby hield de hoorn een meter naast zijn oor.
‘Klaas is wel honderd, gekkie! Hij is onze nieuwe buurman. Hij loopt mank en heeft een stok. Hij ziet er streng uit maar is best aardig. Ik heb al alles over jou verteld.’
Toby zakte neer op de bank. Hij moest zich toch eens wat meer leren te beheersen.
‘Heb jij verder nog iets beleefd?’ vroeg Kat.
‘Iets heel geks,’ antwoordde Toby. Hij wilde net over Gijs op Dam vertellen toen zijn moeder de kamer binnen kwam. ‘Maar dat schrijf ik je wel in een brief,’ zei hij snel. ‘Ik stuur hem vandaag nog naar je toe.’
Kat giechelde. ‘Ik ben benieuwd. Nou, ik ga hangen! Mijn moeder roept. Doei doei!
‘Doei!’